Gunar Drooduin

Op zijn vijftiende maakte hij zijn debuut in het eerste elftal van HVO, destijds een tweedeklasser uit Vlaardingen, inmiddels opgegaan in CWO. Dat was in het jaar 2003, Gunnar Drooduin was nog een toen B-junior. We zijn nu dik 15 jaar verder en Gunnar is uitgevoetbald. ‘Definitief’, zegt hij, ‘als voetballer op de velden zien ze mij niet meer terug’. Waarom niet, dat legt hij op ons verzoek uit op een dinsdagavond in de voetbalkantine die door Deltasport en zijn huidige club CION gedeeld wordt. Gunnar kijkt terug op zijn voetballoopbaan en vertelt een even bizar als aangrijpend verhaal.

‘Danny Molendijk was destijds trainer bij HVO en die stelde mij tegen het einde van de competitie op in het eerste elftal’, zo begint Gunnar zijn verhaal. ‘Het jaar daarop was Danny weg, maar ik werd als eerstejaars A-speler volwaardig lid van de selectie onder de nieuwe trainer René Blauwkamp. Ik stond heel vaak in de basis, als spits. Het voordeel was dat ik groot en sterk was voor mijn leeftijd, qua fysiek zat het allemaal mee. Ook voetballend ging het goed. Op zekere dag wonnen we voor de competitie een wedstrijd met 4-0. Ik maakte die dag 2 of 3 doelpunten en na de wedstrijd werd ik gevraagd om in de bestuurskamer te komen. Daar bleek iemand van Heerenveen te zitten, die de wedstrijd had gezien. Ik wist vooraf van niks, maar het bleek dat die club me al langer aan het volgen was. De man vroeg of ik in Heerenveen stage wilde komen lopen. Dat wilde ik wel. De bedoeling was dat ik door de week een paar keer mee zou trainen en nadat ik op school toestemming had gekregen om een paar dagen weg te zijn, ben ik naar Heerenveen gegaan: op donderdag twee keer getraind en op vrijdag ook nog een keer. Dat ging best lekker.’
‘In het weekend daarop moesten we met HVO tegen Naaldwijk voetballen en scoorde ik een doelpunt waardoor we ons veilig speelden. Het seizoen daarop ben ik naar Heerenveen gegaan, want die club had laten weten dat ze me er graag bij wilden hebben. Toen dat eenmaal bekend raakte, werd ik ook benaderd door clubs als Feyenoord, Sparta en FC Dordrecht, maar ik had toen mijn jawoord al aan Heerenveen gegeven. Dat was wel goed zo, vond ik, want ik zou in Friesland in een totaal andere omgeving komen, waar ik nog niemand kende en waar ik niet afgeleid zou worden door vrienden of familie en me zo helemaal kon richten op voetbal en school. Toch was het best wel spannend. Je zit in een andere omgeving, je bent weg van huis, maar ik ben door de club heel goed opgevangen. Ik woonde in een appartement met andere spelers, had een eigen kamer en eten deden we in een gezamenlijke ruimte, waar een vrouw voor ons zorgde. Ik heb in Heerenveen ook mijn school afgemaakt, HAVO 5. Dat wilde ik erg graag en de club vond dat ook heel belangrijk. De begeleiding van de club was trouwens toch heel goed, ik voelde me nooit aan mijn lot overgelaten. Het plaatje klopte gewoon. De mensen waren vriendelijk en ik had het er goed naar mijn zin. Qua trainingsarbeid was het wel wennen, want ik ging van twee keer trainen in de week naar acht keer. Maar daar wen je aan. Ik heb dat jaar in de A1 gevoetbald en maakte 13 of 14 doelpunten. Alles ging goed. Ik zou doorstromen naar het belofte-elftal, het toenmalige tweede. In de voorbereiding van dat tweede seizoen bij Heerenveen was het de bedoeling dat ik in een oefenwedstrijd in de basis zou staan, maar vlak daarvoor raakte ik op de training geblesseerd aan het kapsel van mijn enkel. Daardoor ging die basisplek aan mijn neus voorbij en miste ik de rest van de voorbereiding .’
‘Heerenveen was destijds een grote club. Ze haalden spitsen en als die niet speelden in het eerste, deden ze dat wel in het tweede. Toen ik eenmaal hersteld was van die enkelblessure, kwam ik op de bank terecht. Ik speelde steeds minder en werd in de winterstop aan Sparta verhuurd. Ik was toen net 20 jaar, wilde graag spelen en die overgang kwam me dus wel goed uit. Ik was net bij Sparta, of ik kreeg lichamelijke problemen. Ik was fysiek niet in orde, was tot steeds minder in staat. Snel moe ook. Lichamelijk onderzoek toonde aan dat ik te maken had met acuut lever falen. En dat ging van kwaad tot erger. Op een gegeven moment dachten doktoren zelfs aan leukemie. Dan stort je wereld in hoor! Maar gelukkig was dat het niet, zo toonde beenmergpunctie aan. Wonderbaarlijk genoeg herstelde ik zonder medische ingreep en ook zonder medicijnen van mijn leverkwaal. Maar ik was er wel meer dan een half jaar uit geweest. Mijn contract bij Heerenveen was in de tussentijd niet verlengd en bij Sparta heb ik nooit iets kunnen bewijzen.’
‘Het was best wel klote hoe het allemaal is gelopen maar wat kun je er aan doen? Ik ben gaan leven. In mijn achterhoofd speelde namelijk altijd de gedachte dat het zo over kon zijn na hetgeen ik allemaal meegemaakt had. Je gaat dan anders in het leven staan. Toch heb ik altijd wel aan de toekomst gedacht. Ik ben met een HBO-opleiding begonnen die ik overigens niet afgemaakt heb, omdat een heel dag schoolbanken toch niet mijn voorkeur had. Ik ging liever werken, heb dat ook gevonden en werk nu nog altijd bij dezelfde werkgever. Na een tijdje wilde ik ook weer gaan voetballen. Ik ben in gesprek geweest met SHO in Oud-Beijerland, maar koos uiteindelijk toch voor mijn oude club HVO, die inmiddels opgegaan was in de fusieclub CWO. Dat was vertrouwd, mijn vader zit al 40 jaar bij die club, mensen daar kenden me en ik wist dat ik alle tijd zou krijgen om weer helemaal aan te sterken.’
‘Na dat jaar vertrokken heel veel vrienden van me van CWO naar Deltasport, maar ik ben gebleven. Die club had zo veel voor me gedaan en als ik na een jaar weer was vertrokken, zou dat ondankbaar zijn, vond ik. Ik heb er nog een jaar gevoetbald en ben daarna alsnog naar Deltasport gegaan. Dat was toch een stapje hoger en ik wilde kijken of ik op dat niveau weer kon aanhaken. Ik speelde bij Deltasport best wel veel, het ging lekker maar tegen de winterstop scheurde ik mijn meniscus. Een operatie volgde en daardoor lag ik er weer een periode uit. En toen ik daarvan hersteld was, sloeg het noodlot alweer toe. Want toen ik op een ochtend wakker werd, kon ik me niet meer bewegen, alleen mijn hoofd. Ik ben meteen naar het ziekenhuis vervoerd en werd weer helemaal binnenstebuiten gekeerd. Bleek ik problemen te hebben met mijn schildklier. Nee, het was geen kanker, maar die schildklierproblemen hadden wel tot gevolg dat mijn kaliumgehalte niet goed was. Ik ben daarvoor behandeld, slik nu nog altijd pilletjes en zal dat moeten blijven doen, maar nu gaat het goed met me. Maar toen zat ik dus alweer in de lappenmand. Artsen hielden het op een auto-immuunziekte. Toen ik daarvan hersteld was, ging ik terug naar CWO en zou daar na de zomerstop de draad weer oppakken. Ik kwam van vakantie terug met een blindedarmontsteking en lag er dus alweer een hele tijd uit. Miste de hele voorbereiding. Toen ik terugkwam, moest ik aansluiten in het tweede elftal. Daar is niets mis mee, maar dat duurde weken en weken. Naar mijn zin uiteindelijk veel te lang en het gesprek met de trainer loste niets op. Toen ben ik gestopt bij CWO en heb het seizoen bij CION meegetraind, een club waar veel vrienden van me voetbalden.’
‘Het daaropvolgende seizoen ben ik daar gaan voetballen. Het eerste jaar in het eerste, maar twee weken voor het einde van de competitie raakte ik weer geblesseerd aan mijn meniscus en moest weer geopereerd worden. Toe ik daarvan hersteld was, ben ik weer begonnen. In het tweede. Later in dat seizoen, tegen Maense mocht ik als invaller in het eerste meedoen. Ik stond amper 2 minuten in het veld of ik brak mijn enkel! Moest ik weer helemaal opnieuw beginnen. Van die breuk herstelde ik, maar nu nog heb ik soms last van het enkelgewricht. Toen de breuk geheeld was, ben ik teruggekeerd op het veld bij CION Ben in het tweede begonnen, de boel weer langzaam opgebouwd. Ik werd steeds fitter, zat er tegenaan om weer bij het eerste aan te sluiten, maar toen begon mijn knie op te spelen. Die werd steeds dik. Voor de derde keer een meniscusblessure. Weer een operatie. Dat was afgelopen januari. Toen was ik er helemaal klaar mee. Ik was al zo vaak teruggekomen, nu had ik daar geen motivatie meer voor. Het was genoeg zo, vond ik. Voetballen is een hele leuke sport, ik doe het heel graag en met de jongens samen iets neerzetten op een voetbalveld is het mooiste wat er is, maar ik doe het niet meer. Ik blijf wel lid van CION. Dat is een hele mooie, warme club. Ik spar nu een beetje met de trainers Slobodan Dutina en Najim Nasri, die ik al jaren ken. Zij willen mij er graag bij hebben als spitsentrainer. Vrienden zeggen tegen me dat ik mijn trainerspapieren moet gaan halen, maar ik wil eerst even aankijken of ik het wel leuk vind om bij trainingen betrokken te zijn. Tot nu toe bevalt het me prima, de klik met de trainers is goed, maar ik wil het toch nog even aanzien. Zelf voetballen zit er niet meer in, ook naar mijn werk toe kan ik dat niet maken; wellicht is trainer worden een goed alternatief. Tijd zal het uitwijzen.’